11/06

interview KAMPERS met hoogspringer Bram Ghuys

ldq-6745

Bram Ghuys krult zich over de lat op het BK indoor.

In “Kampers” laten we atleten aan het woord die hun discipline al jarenlang dragen, voeden en vooruitduwen. Het zijn sporters die niet alleen competitieve resultaten neerzetten, maar die ook een diepe liefde en passie voelen voor hun nummer. In deze reeks laten we hen even ambassadeur worden: ze vertellen wat hun discipline uniek maakt, wat hen blijft drijven en waarom het vuur na al die jaren nog altijd brandt. Vandaag hoogspringer Bram Ghuys.

Je hebt al een hele weg afgelegd in de atletiekwereld, maar laat ons eens terugkeren naar het absolute begin. Hoe ben je in contact gekomen met de atletieksport?

“Heel vroeg al. In het derde leerjaar nam ik deel aan een schoolcross, en die won ik meteen. Mijn turnleerkracht was aangesloten bij een atletiekclub en stelde voor om eens naar een training te gaan. Zo ben ik erin gerold. In het begin deed ik van alles wat: in de winter veldlopen en in het zomerseizoen alle mogelijke kamp- en loopnummers.”

Was het snel duidelijk welke richting je zou uitgaan als atleet?

“Tijdens mijn eerste jaar mocht ik als benjamin meteen deelnemen aan het Nationaal Criterium in Nijvel. Ik had me geplaatst voor de 1000 meter en op het nippertje ook voor het hoogspringen. Voor de 1000 meter had ik de vierde prestatie achter mijn naam staan, en in het hoogspringen mocht ik als laatste mee. Ik had eigenlijk nog geen echte hoogspringtrainingen gedaan en beschouwde het hoogspringen in Nijvel als een soort opwarming voor de 1000 meter. Dat ging verrassend goed: met 1m21 deed ik negen centimeter beter dan mijn PR en won ik de competitie. Toen bleek dus dat ik wel wat aanleg had voor het hoogspringen. Ik ben daarna alles blijven doen, maar begon me wel wat specifieker te richten op hoogspringen en sprint.”

Hoogspringen is een zeer technische discipline en die techniek aanleren is niet zo eenvoudig. Voelde dat bij jou meteen natuurlijk aan?

“Eigenlijk wel. Mijn allereerste wedstrijd begon ik met schaarsprong, zoals bijna iedereen op die leeftijd. Daarna ben ik spontaan overgeschakeld naar een rugsprong. Het was nog geen mooie flop, maar het leek er al op. Door anderen te zien springen en het zelf uit te proberen, had ik die techniek vrij snel onder de knie.”

Wat vind je zelf zo mooi en zo leuk aan het hoogspringen?

“Ik vind het een zeer complete discipline, en het is esthetisch ook mooi om naar te kijken. Je hebt de snelheid en explosiviteit die je op de grond moet genereren, maar daarbij komt het technische werk boven de lat, waar je bijna begint te turnen, zoals bij het polsstokspringen – al is dat natuurlijk de extreme versie. Dan heb je nog het mentale stuk voor de sprong, het tactische kiezen van wanneer je een hoogte overslaat, en de spanning van de opeenvolgende hoogtes. Het moet niet één keer goed zijn, zoals bijvoorbeeld bij de 100 meter. Je moet het meerdere keren na elkaar kunnen. Dat maakt het zo’n volledige en uitdagende discipline.

Het is ook mooi om te zien dat iedereen zijn eigen typische manier van springen heeft. Ik ben zelf meer fan van de technisch vaardige en lenige types, zoals vroeger Stefan Holm of nu de Zuid-Koreaan Woo. Daarnaast heb je de iets stijvere Oekraïners en de Amerikanen die vooral op kracht springen.”

Welk type springer ben jij?

“Ik ben nooit de snelste geweest in mijn aanloop, maar ik kan wel altijd goed versnellen in mijn laatste drie passen. De snelheid die ik dan ontwikkel, kan ik omzetten in hoogte. Ik ben ook vrij lenig in de rug, waardoor ik heel hard kan krullen in de lucht. Soms ziet dat er op foto’s indrukwekkend uit: mijn schouders en hielen zitten dan zo’n tien centimeter onder de lat, maar toch ga ik erover. Ik ben dus niet heel snel en ook geen pure krachtspringer, maar door mijn lenigheid kan ik veel goedmaken.”

Je zegt dat je niet zo snel bent, maar je hebt toch een PR van 11”38 op de 100m achter je naam staan. Da’s nu ook niet echt traag.

“Klopt. Als sprinter stelt die chrono niet zoveel voor, maar voor een hoogspringer is dat goed. Er zijn trouwens veel springers die vlot onder de 11 seconden lopen. De aanloop van een hoogspringer ziet er soms wat traag uit, maar dat is het zeker niet. Kijk maar naar Thomas Carmoy en hoe snel hij is op de 110 meter horden. Die snelheid hebben we echt nodig om in combinatie met kracht hoogte te halen.”

De hoogspringtechniek is allicht ook iets waar je voortdurend aan kunt blijven sleutelen. Bestaat het gevaar dan niet dat je daar wat te obsessief mee bezig bent, ten koste van de rest?

“Dat is zeker bij mij het geval geweest. Op training vond ik mijn sprongen vaak maar voor 90% of 95% geslaagd, en dan probeerde ik van alles te bedenken om de sprong volledig goed te krijgen. Ik heb ongelofelijk veel aan mijn aanloop zitten sleutelen. Zeker het seizoen waarin mijn coach, Stefaan Vanderstichelen, met pensioen ging: toen heb ik zeker vijf of zes nieuwe aanlopen uitgeprobeerd. Dat is niet positief gebleken.

Op een bepaald moment moet je het allemaal een beetje loslaten. Je moet kunnen zeggen: ik kan hoogspringen, dat verleer je niet, en je moet meer gaan focussen op het fysieke aspect. Je kunt altijd aan je techniek blijven werken, maar in het hoogspringen kun je niet elke sprong exact hetzelfde doen. Het is oké om eens een aantal sprongen technisch minder correct te doen. Dat moet je leren aanvaarden.

Bij mij is dat moeilijker geweest. Ik ben iemand die snel begint na te denken, en dat kruipt dan allemaal in mijn hoofd. Je kunt jarenlang keihard blijven werken, maar op een bepaald moment moet je de automatismen laten overnemen en vertrouwen op wat je kunt. Daar was ik niet altijd even goed in.”

Je hebt een persoonlijk record van 2m26 en je bent ook verschillende jaren in het bezit geweest van een topsportstatuut bij Sport Vlaanderen. Heb je het gevoel dat je alles uit je carrière hebt gehaald?

Mijn wisselvalligheid heeft me vaak parten gespeeld tijdens mijn carrière. Om die reden heb ik ook vaak jojo gespeeld met het topsportstatuut. Toen ik een contract had, wilde ik mezelf kost wat kost bewijzen en begon ik vaak alles een beetje te forceren. De periodes dat ik het contract kwijt was, voelde ik minder druk en probeerde ik gewoon de limiet te springen. Om de een of andere reden lukte dat precies beter in mijn hoofd.

Die wisselvalligheid zag je ook doorheen mijn beste seizoenen. In mijn topseizoen sprong ik op het BK 2m24 en zat ik twee centimeter van de EK-limiet. De week erna had ik een laatste kans om die limiet te springen en kwam ik slechts tot 2m15. Daarna sprong ik op een kleine meeting in Nieuwpoort zonder druk wél die 2m26, maar te laat om me te plaatsen voor het EK. Ik heb ook beelden gezien van die sprong, en die was eigenlijk 2m30 waard.

Zo zijn er nog voorbeelden. Op het EK U23 was ik medaillekandidaat. De kwalificaties overleefde ik met de vingers in de neus, maar in de finale sprong ik zes centimeter lager dan in de kwalificaties. Ik wist dat ik voor een medaille kon gaan, en daardoor is alles misgegaan. Ik moest me bewijzen en begon daardoor vaak te veel te forceren.

Ik heb jarenlang gezocht naar een manier om daarmee om te gaan. Ik zocht die druk vaak ook zelf op en ben bij sportpsychologen langs geweest. Als ik dan iets gevonden had, werkte dat voor één wedstrijd, maar niet voor de volgende. Als ik dat onder controle had gekregen en die consistentie had gevonden, dan had er allicht meer ingezeten.

Als je in het hoogspringen op een bepaald niveau zit, dan gaat de evolutie steeds minder snel. Eén centimeter hoger springen is dan vaak een werk van zeer lange adem. Is dat niet frustrerend?

“Da’s zeer dubbel. Eén centimeter is in het hoogspringen vaak een gigantisch verschil. Ik heb soms twee jaar moeten werken om één centimeter hoger te springen. Eens je aan 2m10 of 2m15 zit, wordt het steeds moeilijker. Je hebt het ook niet altijd zelf in de hand. Er zijn wedstrijden waar je niet zelf de hoogtes kunt kiezen. Soms gaat de lat van 2m19 naar 2m24. Als je dan op een bepaalde dag 2m21 waard bent, zie je daar geen resultaat van omdat de lat te hoog ligt.

Aan de andere kant kan het ook zijn dat je over 2m24 gaat, maar dat die sprong eigenlijk 2m26 waard is. Da’s een deel van de sport. Ik ben er zeker van dat als er in het hoogspringen met een laser gewerkt zou worden, zoals ze in het verspringen vaak doen, je zou zien dat heel veel springers een stuk hoger springen dan het PR dat op papier staat.”

Je doet al heel lang aan hoogspringen en heel veel springers van jouw generatie zijn  er niet meer over. Ik neem aan dat de druk dan ook weg is en dat vooral het plezier nu primeert. Klopt dat?

“Ja, ik beleef het hoogspringen nu op een andere manier. Toen Stefaan pas gestopt was, wilde ik mezelf nog bewijzen, maar ondertussen is mijn leven ook veel veranderd. Ik ben een jaar geleden papa geworden en het lukt me gewoon niet meer om zes tot zeven keer per week te trainen. Als ik nu vier trainingen kan doen, is dat veel.

Ik doe het nu vooral voor het plezier en voor de fun. Ik voel dat ik het hoogspringen nog niet kan loslaten. Deze winter heb ik twee wedstrijden gesprongen: eentje om me te plaatsen voor het BK en het BK zelf. Dat is allemaal heel goed meegevallen. Jammer genoeg kreeg ik deze winter klierkoorts en zag ik zo het eerste deel van het zomerseizoen aan me voorbijgaan.

Ik heb toch deelgenomen aan de interclub, ook al was ik nog niet helemaal genezen, maar dat was gewoon een heel leuke wedstrijd. Ik sprong 1m95 en raakte vervolgens niet over 2m04. Vroeger zou dat hard op mijn gemoed gewerkt hebben en zou ik daar twee dagen ambetant van gelopen hebben, maar dat is voorbij. Ik kan er nu veel losser mee omgaan, en met die mindset gaat alles ook veel vlotter.”

Heb je wel nog bepaalde ambities?

“Voor dit seizoen hoop ik terug fit te zijn voor het BK. Dat wordt niet evident, maar ik heb vroeger al bewezen dat ik soms na een zware en lange blessure er in korte tijd toch weer kon staan. We zien wel wat het wordt.

Op langere termijn heb ik wel nog een doel. Binnen twee jaar word ik master en – zonder oneerbiedig te klinken – het M35‑record in het hoogspringen is belachelijk laag. Ik wil dat graag op mijn naam zetten met een mooie hoogte.

Ik zal altijd blijven sporten, maar op dit moment spreekt hoogspringen me nog steeds heel erg aan, ook al is dat nu vijftien centimeter minder hoog dan vroeger. Ik heb daar vrede mee. Ik ben fysiek niet meer dezelfde atleet als zes jaar geleden, en dat is oké, want het leven staat niet stil. Zolang ik er plezier aan beleef, zal ik blijven springen.”

Je haalde daarnet al eens het mentale aspect aan. Hoe moeilijk is het om als hoogspringen, na twee nulsprongen, je nog op te laden voor de derde poging?

“Het kan misschien raar klinken na wat ik daarnet zei over druk op grote momenten, maar het overschrijden van hoogtes bij mijn derde poging was een van mijn specialiteiten. Ik heb heel veel goeie sprongen afgeleverd bij mijn derde poging, net omdat ik op dat moment alles of niets deed. Gewoon eens hard op de benen slaan, eens goed schreeuwen en de steun van het publiek vragen — dat hielp vaak bij mij. Als ik niets te verliezen had, kon ik vaak veel.

Zo was er eens de Memorial Van Damme waar de aanvangshoogte 2m20 was. Dat was op dat moment ontzettend hoog, want ik had een PR van 2m22. Ik ging er vlot over. Limieten najagen of presteren op een internationaal kampioenschap is een totaal andere beleving, en met die druk kon ik moeilijk om. Dat bleef altijd in je achterhoofd spoken en ik kon dat moeilijk loslaten. Dan ga je automatisch iets trager aanlopen of stoot je iets minder af, en dat kost je onmiddellijk een aantal centimeter.”

Ben je iemand die goed kan omgaan met ontgoochelingen na mislukte pogingen of mindere wedstrijden?

“Laat ons zeggen dat ik dat heb moeten leren. Er is in het verleden met spikes gegooid, ik ben vaak al mokkend weggelopen, maar dat is eruit gegroeid. Het heeft misschien wat lang geduurd, maar door volwassener te worden, is dat beter geworden.

Je moet ook weten dat ik van bij de jeugd in België bijna altijd alles won, en als dat dan eens niet gebeurde, was dat nieuw voor mij. Ik heb moeten leren dat je niet elke dag top kunt zijn en dat een mislukte wedstrijd niet betekent dat je niet kunt springen.

Toen ik jong was, kon een mislukte poging zelfs tijdens mijn competitie op mijn gemoed werken, waardoor de hele wedstrijd om zeep was. Later kon ik na en slecht begin een wedstrijd toch nog helemaal omkeren en uiteindelijk nog mooie sprongen laten zien.”

De hoogspringwereld in België is een kleine wereld. In hoeverre heeft het internationale aspect een meerwaarde gegeven aan de beleving van je sport?

“Het is een totaal ander gevoel. In België spring je bijna altijd tegen dezelfde tegenstanders en kun je bij wijze van spreken op voorhand al de uitslag voorspellen. Internationaal leer je andere springers kennen en ervaar je meer tegenstand. Vaak zijn er ook van die internationale hoogspringgala’s met muziek, waar er alleen maar hoogspringen wordt georganiseerd.

Je kunt ook eens kijken hoe anderen bepaalde dingen doen. Door contacten zijn we bijvoorbeeld ook eens een paar dagen naar Birmingham op stage geweest om mee te trainen met andere atleten en coaches. Dat is een heel andere beleving dan in het kleine cirkeltje in België.”

 Zijn er bepaalde meetings waar je mooie herinneringen aan bewaart?

“Outdoor sprong ik heel graag in Zoetermeer op de High Jump Meeting, en indoor stak de meeting in Keulen — die ondertussen niet meer wordt georganiseerd — er bovenuit. Dat waren twee meetings die ik altijd op de planning zette en waar ik heel graag, en vaak ook heel goed, sprong.

We gingen dan altijd een paar dagen op voorhand naar daar en verbleven met een viertal springers in zo’n Center Parcs‑achtige bungalows. Dat zorgde voor een leuk groepsgevoel en we amuseerden ons ook heel goed.

Weet je, hoogspringers zijn op de piste concurrenten, maar daarnaast zit je ook gewoon voor elkaar te supporteren.”

Even over het hoogspringniveau in België: met Thomas Carmoy en Jef Vermeiren hebben we twee springers die erbovenuit steken. Gaapt er daarachter een groot gat?

“België is een klein landje en het hoogspringen is ook een kleinere discipline met minder deelnemers. Ik denk dat het ergens normaal is dat er niet ieder jaar nieuwe toptalenten opstaan. Vroeger was ik verschillende jaren de enige, en nu zijn ze met Thomas en Jef toch al met twee. Daarachter gaapt inderdaad een groot gat, zeker als je ziet dat je met 2m00 in de top tien van de nationale jaarranglijst staat.

Toch zijn er bij de beloften en junioren een aantal positieve signalen. Lorenzo Nys en Alexander Comte zitten met sprongen rond de 2m12 toch al goed op die leeftijd. Hopelijk blijven ze evolueren en kunnen ze op termijn aansluiten bij Thomas en Jef.”

Je trainde de afgelopen jaren alleen, maar ondertussen heb je terug aangesloten bij de trainingsgroep van Racing Gent. Hoe loopt dat?

“Ik train al een tijdje bij Racing Gent en ik sta ook te popelen om in mijn nieuwe clubtruitje wedstrijden te kunnen afwerken. Er was een akkoord met OEH dat ik tot de interclub nog bij hen bleef, maar daarna voor Gent mag uitkomen.

Het feit dat ik nu terug een trainer heb, zorgt vooral voor meer rust. Ik moet niet meer nadenken over de trainingen. Er zijn momenten geweest dat ik op de fiets naar de training nog zat te bedenken wat ik allemaal zou doen. Die last valt nu weg, en het is ook gewoon leuk om terug in een groep te trainen.

Na de klierkoorts ben ik nog niet lang terug aan het trainen, maar ik hoop toch hier en daar nog een wedstrijd mee te pikken. Ik maak me geen zorgen en ik zie wel wat er volgt. Naast het hoogspringen zou ik ook graag het seizoen afsluiten met een meerkamp. Dat vind ik altijd leuk… al blijft het vastpakken van een polsstok nog altijd moeilijk.”

 

ldq-1834

Bram Ghuys. Foto: Luc Dequick.