28/04
Nieuwe reeks 'Kampers' - Jeroen Gonnissen

Jeroen Gonissen in actie op het Allianz BK indoor in 2025.
Foto: Luc Dequick
Laten we teruggaan naar het prille begin van je atletiekcarrière. Hoe ben je ooit met atletiek begonnen?
“Ik ben er al heel vroeg ingerold. Ik denk dat ik nog benjamin was. Als kleine jongen ben ik ooit eens naar een duiveltjesdag van de lokale voetbalclub geweest en achteraf had ik blijkbaar tegen mijn vader gezegd dat ik alles leuk vond behalve de oefeningen met de bal. Mijn ouders hebben dan de reflex gemaakt om me in te schrijven bij de atletiekclub om de hoek in Roeselare.”
Was het snel duidelijk dat je aanleg had voor de springnummers?
“Aanvankelijk merk je vooral dat je explosiever bent dan andere kinderen, en dat sprinten je veel natuurlijker afgaat dan afstandslopen. Tijdens de jeugdwedstrijdjes voelde ik al snel dat ik bij het sprinten en springen meestal tot de beteren behoorde. Het afstandslopen en de werpnummers lagen me veel minder. Vanuit het sprinten ben ik dan eigenlijk heel natuurlijk overgestapt naar het verspringen.”
Je was ook een meer dan behoorlijke sprinter. Was de keuze tussen de sprint en het verspringen niet moeilijk?
“Eigenlijk niet. In het verspringen lagen voor mij gewoon de meeste mogelijkheden — daar ben ik heel eerlijk in. In de sprint is de concurrentie nu eenmaal veel groter. Los daarvan vind ik het verspringen ook gewoon een heel leuke en mooie discipline. Ik heb daar echt mijn gading in gevonden. Natuurlijk ben ik altijd blijven sprinten, want de aanloopsnelheid is cruciaal. Vaak trainen we zelfs meer als sprinters dan als pure verspringers.”
Wat vind je persoonlijk zo mooi aan het verspringen?
“Het is een heel eerlijke discipline. De opdracht is simpel: zo ver mogelijk springen. Maar hoe je tot een bepaalde afstand komt, wordt bepaald door allerlei factoren. Dat vind ik er net zo boeiend aan. Je kunt voortdurend op verschillende vlakken aan je zwaktes blijven sleutelen, en je ziet ook meteen resultaat. Die ontwikkeling fascineert me enorm, en dat neem ik ook mee in mijn job als kinesist. Ik begeleid zelf mensen in performance training en daar zie ik dezelfde evolutie: stap voor stap werken aan details, kleine verbeteringen stapelen, en zo groeien naar een betere versie van jezelf.”
Voor heel wat buitenstaanders lijkt snelheid de voornaamste kwaliteit waarover een verspringer moet beschikken, maar er komt natuurlijk heel veel meer bij kijken.
“Dat klopt. Snelheid is een heel bepalende factor, maar het is maar één stukje van de puzzel. De kracht die je op de afzetbalk kunt zetten is minstens even belangrijk, net als je elasticiteit, je lichaamsbouw en natuurlijk de techniek. Het is de combinatie van al die elementen die bepaalt hoe ver je uiteindelijk springt. Dat maakt het verspringen zo boeiend: je bent voortdurend bezig met het verfijnen van verschillende componenten die samen één prestatie vormen.”
Wat is voor jou het grootste werkpunt?
“Ik zie altijd verschillende werkpunten voor mezelf. Elk jaar is er wel iets waar ik meer de focus op kan leggen. Ik ben zelf meer een krachtspringer en ik moet dan vooral ook continu werken aan mijn elasticiteit en mijn lenigheid. Daar heb ik al veel stappen in gezet, maar het blijft iets waar ik wat mee struggle.”
Dat toont meteen hoe divers het verspringen eigenlijk is. Er zijn springers die vanuit een totaal ander profiel vertrekken. Hoe kijk jij daarnaar?
“Dat is precies wat onze discipline zo interessant maakt. Er bestaan heel veel verschillende types verspringers, die elk met hun eigen sterktes en kwaliteiten toch tot gelijkaardige afstanden komen. Je ziet soms atleten met een totaal ander profiel dan jezelf, maar je staat wel rechtstreeks met hen in competitie. Dat contrast vind ik heel boeiend.”
Zijn er veel verschillende technieken die je kan toepassen in het verspringen?
“In de luchtfase bestaan er inderdaad verschillende manieren om de voorwaartse rotatie tegen te houden. Je hebt de hangtechniek, waarbij je lichaam als het ware ‘blijft hangen’ in de lucht. Dan is er de hitch-kick, waarbij je een extra pas maakt om jezelf te stabiliseren, en tot slot de dubbele hitch-kick, die meer op een loopbeweging lijkt. Er is niet één techniek die superieur is — het hangt vooral af van wat voor jou natuurlijk aanvoelt. Dat zie je ook bij de toppers: de Armeniër Robert Emmijan sprong zijn Europees record van 8m86 met een hangtechniek, terwijl Mike Powell zijn wereldrecord van 8m95 sprong met een dubbele hitch-kick.”
Werk je gezien de diverse facetten van het verspringen ook samen met verschillende trainers?
“Omdat ik een groot deel van het krachtwerk en de algemene voorbereiding zelf opneem, volstaat het voor mij om met één trainer samen te werken. Dat is Bjorn Messiaen. Hij staat vooral in voor de snelheid- en techniektrainingen. We werken al bijna tien jaar samen en kennen elkaar door en door — en dat is ontzettend belangrijk, zeker in een technische discipline als het verspringen. Elke atleet heeft zijn eigen stijl, en een trainer moet die volledig begrijpen om te kunnen inschatten wat er precies fout loopt in een bepaalde beweging. We analyseren heel veel samen, filmen bijna elke sessie, en hebben een heel goede verstandhouding. We hebben vaak maar een half woord nodig om elkaar te begrijpen.”
Zit er ook een trainer in jou?
“Ik nader ondertussen de 28 en ik heb daar wel al over nagedacht. De passie voor atletiek is bij mij heel groot, en ook na mijn carrière wil ik graag betrokken blijven in dit wereldje. De kans is dus reëel dat dat in de vorm van trainer zal zijn.”
Hoe kijk je naar het verspringen en het niveau in België?
“Het verspringen is geen discipline waar in België veel op wordt ingezet. Daardoor is de aandacht ook eerder beperkt. Ik denk dat we vooral een paar absolute toppers missen die op het allerhoogste niveau meedraaien en resultaten neerzetten. Dat is voor een discipline als de onze cruciaal om jongeren te inspireren. Op kampioenschappen zie je vaak dezelfde namen terugkomen, en om eerlijk te zijn is dat soms wel wat saai.
Gelukkig zit ik op een niveau waarop ik ook internationale kansen krijg, en daar geniet ik enorm van. Het is heel leuk om eens tegen atleten van een hoger niveau te springen. Vorig jaar heb ik wedstrijden gedaan in Griekenland en Kroatië, en dit jaar staan er competities in Duitsland, Kroatië en Litouwen op de planning. Tijdens die meetings voel je je even echt profatleet: je krijgt een hotel, een travelfee… dat is gewoon fijn.
En natuurlijk blijft het een droom om ooit de Belgische ploeg te mogen vertegenwoordigen. Dat is voor elke atleet een grote eer. Vorig jaar liep dat om bekende redenen anders dan gehoopt, maar die ambitie blijft. Dat zit ondanks alles nog altijd in mijn achterhoofd.”
Je hebt een persoonlijk record van 7m71. Droom je stiekem van een sprong van 8 meter?
“Ik probeer daar niet te veel mee bezig te zijn, maar ik moet toegeven dat het soms wel door mijn hoofd speelt. Vroeger had ik nooit gedacht dat het überhaupt mogelijk zou zijn. Acht meter is zo’n magische grens, en de atleten die daarover gaan zijn stuk voor stuk enorm getalenteerd. Ik zit er momenteel nog 29 centimeter vandaan — dat is nog een eindje, maar tegelijk ook niet onoverbrugbaar. Wie weet. Ik ben vooral benieuwd of mijn lichaam het me ooit zal toelaten om die afstand te springen. Ik zal er in ieder geval alles aan doen om die droom waar te maken.”
Binnen World Athletics zijn er de laatste jaren verschillende voorstellen geweest om het verspringen voor de toeschouwers aantrekkelijker te maken. Een van de meest spraakmakende wijzigingen die werd overwogen, was om de afstand niet meer te meten vanaf de afzetbalk, maar vanaf het daadwerkelijke afzetpunt van de atleet. Hoe kijk jij daarnaar?
“Dat voorstel vond ik persoonlijk heel vreemd, en ik was zeker niet de enige. Vrijwel de hele verspringwereld heeft zich daartegen uitgesproken. Ik geloof ook niet dat de prestaties daardoor beter zouden worden. De balk is een essentieel onderdeel van onze discipline: ze dwingt je om precisie in je aanloop te leggen. Als je dat element wegneemt, verdwijnt ook een stuk van de charme en de spanning van die typische net-wel- of net-niet-sprongen. Ik zie daar dus geen meerwaarde in voor onze sport.
Andere ideeën vind ik dan weer wél interessant, zoals spelen met de volgorde bij de laatste poging om de spanning op te drijven. En ik denk dat we vooral moeten inzetten op meer straatmeetings. Dat zie je vaak in het polsstokspringen, maar ook in het verspringen zorgt dat voor enorm veel sfeer. Dan staan wij als verspringers echt centraal en zit het publiek er met zijn neus bovenop. Dat lijkt me een heel mooie evolutie waar gerust wat meer op mag worden ingezet.”
Zijn er meetings in België waar je ieder jaar opnieuw naar uitkijkt?
“De Kortrijkse Guldensporenmeeting staat bij mij eigenlijk altijd aangekruist in mijn agenda. Ik woon in de streek en er is meestal een mooi, internationaal deelnemersveld in het verspringen. De omstandigheden om er te springen zijn doorgaans ook heel goed. Afgelopen zomer kon ik door een blessure niet deelnemen, maar ik ben wel gaan kijken. De Nederlandse Pauline Hondema verbeterde er het nationale record tot 6m91. Dat is toch behoorlijk indrukwekkend — en het is leuk dat zoiets in Kortrijk kan gebeuren.”
In topsport speelt het mentale aspect een steeds grotere rol. Hoe ga jij om met druk, verwachtingen en de mentale kant van het verspringen?
“Het mentale aspect is een niet te onderschatten factor. Zeker in het verspringen moet je daar goed mee kunnen omgaan. Als je eerste poging ongeldig is, moet je jezelf herpakken en opnieuw volledig focussen op de volgende sprong. Dat is niet eenvoudig, maar met de jaren leer je dat beter te beheersen. Vroeger stond ik met veel meer stress op de aanlooppiste.
Bij het verspringen moet je je telkens heel kort opladen voor één explosieve inspanning. Alles moet kloppen in die ene sprong. Daarom probeer ik tijdens wedstrijden niet met te veel dingen tegelijk bezig te zijn. Het technische laat ik voor de trainingen. In competitie ga ik gewoon voluit en vertrouw ik op het werk dat ik vooraf heb gedaan. De analyse komt achteraf wel.”
Tijdens een competitie zie je atleten die helemaal in hun eigen focus blijven, en anderen die net energie halen uit het publiek. Waar situeer jij jezelf?
“Ik ben toch wel een klapper. Ik vraag vaak steun aan het publiek, en dat ritme geeft me echt extra energie. Het zorgt voor een boost en het gevoel dat mensen met je meeleven. Ik ben ook iemand die wat moet groeien in een competitie. Ik heb vaak wat druk en adrenaline nodig om mijn beste sprongen te laten zien. Het gebeurt dan ook regelmatig dat mijn laatste poging de beste is. De voorbije jaren heb ik op die manier zelfs een paar titels binnengehaald.”
Afgelopen zomer kreeg je af te rekenen met een zware blessure. Ook dat hoort natuurlijk bij topsport. Hoe ga jij daarmee om?
“Dat is uiteraard heel lastig. Je geeft enorm veel voor je sport, en het is frustrerend wanneer je lichaam plots tegenwerkt. Ik ben een echt trainingsbeest en wil altijd keihard werken. Als dat wegvalt, doet dat pijn. Tijdens mijn blessure ben ik wel blijven meegaan naar de trainingen om alternatief te werken en om toch het gevoel te houden dat ik ermee bezig bleef.”
Ben je nu terug volledig blessurevrij?
“Ja. Deze winter kon ik opnieuw in competitie treden, al was het nog wat zoeken. De voorbereiding op het indoorseizoen was niet ideaal. Maar op dit moment voel ik me uitstekend en heb ik een aantal heel goede trainingsweken achter de rug. Ik heb het gevoel dat er opnieuw mooie afstanden aankomen. Ik kan niet wachten om op 09/05 mijn verspringseizoen te openen.”
Je combineert topsport met een drukke job als kinesist. Hoe moeilijk is dat?
“Dat is best uitdagend, geef ik toe. Ik heb er bewust voor gekozen om zowel sportief als professioneel alles te geven. In het begin was dat echt zoeken, maar intussen heb ik een goede balans gevonden tussen trainen, werken en rusten. Dat laatste blijft trouwens het moeilijkste. Trainen en werken lukt wel, maar voor recuperatie moet ik echt moeite doen. Het is geen ideale situatie, maar het werkt voor mij. Ik denk ook aan het leven na mijn carrière en aan het financiële plaatje. Bovendien zie ik mezelf niet fulltime aan atletiek doen — ik heb andere bezigheden nodig in mijn leven. Ik zou niet goed functioneren in een puur profmilieu.”
Het is niet zo dat je het gevoel hebt dat je als profatleet ook een heel stuk verder zou springen?
“Neen, dat gevoel heb ik niet. Het is allemaal heel intensief, maar in het verspringen kun je per week niet zoveel écht kwalitatieve trainingen inplannen dan ik nu al doe. Het is niet zoals in de meerkamp, waar je veel meer uren moet maken om alles te verfijnen. Het grote verschil tussen het leven van een profatleet en mijn leven zit vooral in de rust en de recuperatie. Dat blijft de grootste uitdaging.”
