10/04

Nieuwe reeks 'kampers' - Babette Vandeput

babette-vandeput
In 'Kampers' laten we atleten aan het woord die hun discipline al jarenlang dragen, voeden en vooruitduwen. Het zijn sporters die niet alleen competitieve resultaten neerzetten, maar die ook een diepe liefde en passie voelen voor hun nummer. In deze reeks laten we hen even ambassadeur worden: ze vertellen wat hun discipline uniek maakt, wat hen blijft drijven en waarom het vuur na al die jaren nog altijd brandt. Vandaag: discuswerpster Babette Vandeput.

Je bent al vele jaren een gevestigde waarde in de Belgische atletiekwereld, maar laten we eens terugkeren naar het absolute begin. Wanneer ben je begonnen met atletiek?
“Het exacte moment weet ik niet meer, maar ik was nog benjamin. Het is eigenlijk het klassieke verhaal: mijn twee oudere zussen deden aan atletiek en ik liep voortdurend mee langs de zijlijn. Uiteindelijk besloten mijn ouders me ook aan te sluiten bij ATLA, en zo is het allemaal begonnen.”

Was het snel duidelijk dat je aanleg had voor de werpnummers?
“Als pupil werd ik geselecteerd voor het kogelstoten op het Nationaal Criterium in Nijvel. In de aanloop daarnaartoe mocht ik een paar keer trainen met de werptrainer van de club, Ronald Becker, en daar bleek al dat ik wel wat talent had. In Nijvel won ik meteen een medaille, en vanaf dan mocht ik vaker aansluiten bij de werpgroep. Toen ik voor het eerst een discus in handen kreeg, was het eigenlijk liefde op het eerste gezicht. Ik vond het geweldig om te doen, en als kind blijf je dan oefenen – en zo groei je er vanzelf in.”

Over welke eigenschappen en kwaliteiten moet een discuswerper eigenlijk beschikken?
“Ik ben eigenlijk een vrij atypische discuswerpster, want in vergelijking met anderen ben ik niet zo groot. Maar los daarvan moet je als discuswerper vooral heel explosief en sterk zijn, en ook over een goed algemeen atletisch vermogen beschikken. In het discuswerpen komen snelheid, kracht en techniek op een bijzonder mooie manier samen.”

Hoe belangrijk is het technische aspect? Voor buitenstaanders staat discuswerpen vaak synoniem voor brute kracht, maar zo simpel is het natuurlijk niet.
“Er komt veel meer bij kijken dan kracht alleen. Techniek is ontzettend belangrijk, en net dat maakt de discipline zo mooi. Je hebt een bepaalde finesse nodig om een discus echt goed weg te krijgen. De draai in de ring, het vertrek van de discus, de vlucht door de lucht — het oogt allemaal heel elegant. Over elke beweging en over elke positie van je lichaam tijdens de worp is nagedacht.”

Is het dat dan ook wat het discuswerpen zo uitdagend maakt : het verfijnen van de techniek?
“Perfectie bestaat niet, maar we proberen er wel zo dicht mogelijk bij te komen. Dat is een langlopend project waar elke atleet individueel aan werkt. Je probeert zo optimaal mogelijk te bewegen in de cirkel en tegelijk de kracht te benutten die je in de krachtzaal hebt opgebouwd. Die combinatie juist krijgen, dat is de echte uitdaging.”

Het is een werk van lange adem.
“Ja, absoluut. Veel mensen onderschatten dat. Het verfijnen van een techniek vraagt enorm veel tijd en herhaling. Ik ben nu al vele jaren bezig met discuswerpen en door die ontelbare trainingen heb ik een sterke technische basis opgebouwd die ondertussen heel natuurlijk aanvoelt. Vanuit die basis kan ik nu veel makkelijker stappen vooruit zetten. Ook het krachtaspect vraagt jaren werk. Je wordt niet van vandaag op morgen sterker; het is een proces dat langdurige discipline en inzet vraagt.”

Wat is de belangrijkste rol van een trainer bij het discuswerpen?
“In het discuswerpen zijn er verschillende lagen van coaching. Enerzijds is er het globale plaatje: ervoor zorgen dat alles structureel klopt en dat kracht- en werptraining goed op elkaar zijn afgestemd. Anderzijds kan een coach heel gedetailleerd inzoomen op specifieke aspecten. Bij techniektraining gaat het dan om fijn werk op beweging, positie en timing. Dat kan ook bij krachttraining, al hoeven we daar niet dezelfde perfectie na te streven als bijvoorbeeld gewichtheffers. Maar we moeten natuurlijk wel heel sterk zijn.”

De meeste atleten kunnen mikken op een winter- en zomerseizoen, maar die luxe heeft een discuswerper natuurlijk niet. Hoe jammer vind je dat?
“Heel jammer. Voor ons is het altijd lang wachten voor we eindelijk in competitie kunnen komen. Vorige winter ben ik eens naar Zweden gereisd om een indoor discuswedstrijd mee te pikken — iets wat al langer op mijn lijstje stond. Het is natuurlijk niet hetzelfde als outdoor in de zomer, maar het was wel een heel leuke ervaring. Meestal werken we een hele winter keihard om dan maar een paar maanden wedstrijden te hebben. Dat brengt ook extra druk met zich mee, want je wilt in die korte periode natuurlijk wel presteren.”

Hoe belangrijk is het mentale aspect binnen jouw sport?
“Het mentale speelt in het discuswerpen zeker een grote rol. Vaak werp je het best op momenten waarop je het totaal niet verwacht, en dat heeft meestal te maken met ontspanning. Zodra er stress in je lichaam zit, beweeg je automatisch wat verkrampter, en dan verlies je al snel een paar meter. Dat gebeurde bij mij vroeger vaak op kampioenschappen, wat soms wel teleurstellend was. Enkele weken later, wanneer de druk volledig weg was, gooide ik dan wél een persoonlijk record. Je bent nog steeds in topvorm, maar er komt gewoon veel minder spanning bij kijken.”

Hoe ga je om met momenten waarop een poging mislukt?
“Dat is iets wat je moet leren. Op het EK U23 had ik in de kwalificaties twee nulworpen, maar mijn derde poging was goed genoeg om door te gaan naar de finale. In zo’n situatie vond ik dat ik het mentaal goed heb aangepakt. Ik bekijk het altijd worp per worp en hou me vast aan het vertrouwen dat ik het op training al zo vaak gedaan heb. De mindset op training is natuurlijk anders: daar kun je alles in detail analyseren. In een wedstrijd kan dat niet; dan kun je je alleen focussen op ritme en flow. De kunst is om niet te veel na te denken, want dan weet ik dat het resultaat zal tegenvallen.”

Mag ik zeggen dat ervaring daarin een cruciale rol speelt?
“Dat vind ik wel. Ik ben naar drie jeugdkampioenschappen geweest en ik kan oprecht zeggen dat ik zonder die ervaringen niet zou staan waar ik nu sta. Die kampioenschappen hebben mijn passie voor de sport echt in een stroomversnelling gebracht. Naast de mooie herinneringen heb ik er ook ontzettend veel geleerd: omgaan met omstandigheden, leren presteren op een ander niveau, maar ook contacten leggen. Vandaag train ik met een Deense coach, en dat is volledig te danken aan de internationale connecties die ik daar heb opgebouwd.”

Wat zijn voor een discuswerper de mooiste meetings om aan deel te nemen?
“Mijn grote droom is om ooit op de Memorial Van Damme te mogen gooien. Toen ik klein was, mochten al mijn vriendjes en vriendinnetjes van de club deelnemen aan de estafettes in het voorprogramma, maar ik niet — er was geen discipline waarin ik kon meedoen. Dat blijft een droom die ik graag ooit wil waarmaken.”

"In België zijn er verder jammer genoeg weinig meetings waar het discuswerpen als volwaardig nummer wordt georganiseerd. Daarom trek ik vaak naar het buitenland, waar wel mooie en goed georganiseerde discuscompetities plaatsvinden. Internationaal gezien is Oklahoma eigenlijk het summum voor een discuswerper. Vorig jaar ben ik daar naartoe geweest, ik kon jammer genoeg niet deelnemen. Het weekend ervoor had ik namelijk mijn hamstring gescheurd. Dat was bijzonder zuur, maar zelfs als toeschouwer heb ik enorm genoten van de meeting.”

Er wordt vaak gezegd dat werpers heel vriendelijke, toegankelijke atleten zijn en dat er heel veel wederzijds respect is. Klopt dat beeld?
“Dat is zeker zo. Werpers hebben enorm veel respect voor alles wat er rond hun discipline gebeurt. Zo gaan we na afloop van een wedstrijd altijd even de juryleden bedanken — dat is heel typisch voor onze community. De laatste jaren is er in België ook echt een groepje ontstaan van werpers die elkaar opzoeken en samen trainen. Dat maakt het alleen maar leuker.”

Maar door je Deense coach vertoef jij allicht ook vaak in Denemarken?
“Ik probeer zo vaak mogelijk naar Kopenhagen te gaan om bij het team te zijn. Ik train daar met een aantal Olympische atleten en dat motiveert me enorm. Ik ben een grote voorstander van me te omringen met mensen die dezelfde doelen hebben en op een gelijkaardige manier in het atletenleven staan. Dat heeft een heel positieve invloed op mijn prestaties en mijn progressie. Ik ben dus heel blij met de community in België, maar ook met mijn internationale connecties.”

Hoe zit het met het talent in België?
“Er loopt zeker heel wat talent rond in België, maar ik vrees dat er ook veel verloren gaat. Een discipline leeft en bloeit dankzij een rolmodel waar jongeren naar kunnen opkijken, en er moet ook perspectief zijn. Als dat ontbreekt, raken jonge atleten minder snel geïnspireerd. Dat vind ik jammer. Om dan toch te blijven doorgaan en zoals ik, negen keer per week te trainen, moet de passie echt wel heel diep zitten.”